Theologisch-exegetisch kader
Verhaal in context
Het doel van BijbelverhaalSpeciaal is leerlingen vertrouwd te laten raken met verhalen uit de christelijke traditie, en met behulp van die verhalen het eigen verhaal zo mogelijk anders te kunnen ervaren. Bij het verstaan van Bijbelverhalen laten we ons leiden door de context waarin het verhaal speelt en de betekenis die het wellicht toen voor de toehoorders gehad heeft. Van daaruit zoeken wij naar mogelijke betekenissen voor leerlingen nu, in samenspraak met anderen en in de context waarin zij leven. Wij scholen voor het leven! (vgl. Roebben 2011)
Dubbel-contextuele theologie
Als ontwerpers van materiaal voor BijbelverhaalSpeciaal starten wij bij het Bijbelverhaal zoals dat indertijd bij de toehoorders van die tijd geklonken kan hebben. Wij verstaan die verhalen, we lezen ze als ‘wens-dromen’. Wij horen in die verhalen het verlangen naar een toekomst, waarin de mens aan z’n bestemming kan beantwoorden, ‘in vorm’ komt. ‘Het gaat bij christelijke verhalen en rituelen om kritische herinneringen die toekomst geven, die de actuele situatie in al zijn wankelheid en weerbarstigheid zo in beeld brengen dat ze de daarin verborgen, maar doorslaggevende presentie van ‘goed leven’ bloot leggen.’ (Borgman 2005, 38)
Wij horen in die verhalen ‘lessen voor het leven’. Wij ervaren in die verhalen een uitnodiging, een uitdaging om ‘ons best te doen’ om ‘in vorm’ te komen. Wij komen in gesprek met die verhalen, en ontdekken de betekenis van ‘geloven’: ‘ik zal er zijn voor jou’, ‘ik geloof in jou’. Wij leren – in gesprek met de Bijbelse verhalen en met elkaar – wat ‘geloven’ kan zijn: vertrouwen in de ander, in mezelf en in de wereld.
Kenmerkend voor onze dubbel-contextuele theologische benadering is dat wij als ontwerpers in de eerste plaats aan leerkrachten kennis aanreiken over de context waarin het verhaal ontstaan is. In welke cultuur speelt het verhaal zich af? In welk spanningsveld leefden de toehoorders van toen, waarop dit ene Bijbelverhaal inspringt? Welke associaties heeft het verhaal in die tijd voor die mensen opgeroepen? Welke spiegel wilde het verhaal de mensen voorhouden? Welke beeld-taal was toen gebruikelijk en welke beelden heeft de verteller ingezet om de kern duidelijk te maken? De vraag die wij ons in deze fase van het ontwerpproces stellen is: wat is mogelijk een kern van dit verhaal geweest?
In de tweede plaats letten we op de stijl waarin verteld is. Is het een verhaal met een kop en een staart, of is het een gedicht? Is het een verhaal dat z’n oorsprong vindt in een ‘waar gebeurde’ situatie, of is het eigenlijk poëzie, of wellicht een gelijkenis? Wat wil de verteller zeggen door juist die structuur te gebruiken? Wat is de relatie tussen vorm en inhoud?
We onderzoeken het Bijbelverhaal en rafelen het uiteen (de-construeren), om het vervolgens opnieuw in elkaar te zetten (re-construeren) zodat de kern van het verhaal van tóen de luisteraar nú, levend in een levensbeschouwelijk plurale context, kan raken. In het bijzonder dat de luisteraar in het speciaal onderwijs zich kan laten raken door het verhaal, zich er door kan laten inspireren – dat is: er door in beweging willen komen om ‘in vorm’ te zijn.
In gesprek met de a(A)nder
Wij hebben ons voor deze dubbel-contextuele theologische benadering laten inspireren door wat Burggraeve heeft geschreven over het in de bijbelgewortelde belang van de presentie van de ander om te leren geloven in de zin van: vertrouwen in de a(A)nder, jezelf en de samenleving. Burggreave, Levinas volgend, benadrukt de onherleidbare uniciteit van degene die tot mij spreekt en mij aanziet, het speciaal-zijn, het radicaal anders-zijn van de ander (alteriteit). Wat ons tot mens maakt, aldus Burggraeve, is dat we het anders-zijn van de ander niet tot object van uitsluiting maken: ‘jij bent anders, dus jij hoort niet bij ons’. Of dat we het anders-zijn alleen maar zien als interessant, omdat het onze eigenheid beter doet uitkomen en als gevolg daarvan onze eigenheid hoger doet waarderen: ‘jij bent een on-mens, dus jij bent niks waard, en dus kan ik met jou doen wat ik wil’. Mens-zijn houdt, aldus Burggreave, in dat we de ander zien en horen in diens eigenheid, dat we ge-hoor-zaam zijn aan die ander als uniek kind van God, zoals alle schepselen kinderen Gods zijn: allemaal geschapen naar Gods beeld en allemaal omkleed met dezelfde menselijke waardigheid (Burggraeve 2007, 233). Het scheppingsverhaal zo verstaan, geeft ons een uitgangspunt voor het dagelijks handelen in de context van het onderwijs – in het omgaan met leerlingen en ouders die allemaal uniek zijn in hun anders-zijn. Deze manier van de-constructie en re-constructie van het scheppingsverhaal inspireert ons bij onze lesontwerp-activiteiten voor leerlingen in het speciaal onderwijs.
Tevens is voor onze benadering de ‘Godsdienstpedagogiek van de hoop’ (Roebben 2007, 2011) belangrijk . Hij benadrukt het ‘van horen zeggen’-aspect van geloven. Geloven, zegt hij, is in de Bijbelse traditie ja-zeggen tegen een stem die van elders komt. Een mens wordt geroepen, en naar verluidt, wordt er op een antwoord gewacht. Een antwoord in de vorm van keuzes die een mens maakt in het leven en waarvoor de persoon zich zelf ver-antwoord-elijk maakt. Geloven, zegt Roebben ook, is eigenlijk niet te leren, en dat is precies het paradoxale van geloofsopvoeding. Geloven is net zo min af te dwingen als liefhebben. Geloven gebeurt, zoals het gebeurt dat je bemind wordt. Een mens kan daarvoor wel een eerste stap zetten. Daarover vertelt, aldus Roebben, het verhaal van de doortocht door de Rode Zee: de doortocht die pas mogelijk wordt nadat de Israëlieten het gewaagd hadden samen (!) de eerste schreden te zetten op dat hachelijke pad (Roebben 2011, 203). Het is deze manier van interpreteren van een Bijbelverhaal (de doortocht door de Rode Zee als een verhaal over gaan geloven) die zichtbaar is in de lesontwerpen van BijbelverhaalSpeciaal waarin de context van de leerlingen en de Bijbelverhalen elkaar ontmoeten.
De context van deze methode
Wanneer we spreken over de de Bijbelverhalen en hun plek in de Bijbel gebruiken we de termen Oude en Nieuwe Testament. Hoewel er meerdere aanduidingen zijn kiezen we voor de meest gangbare termen en voor duidelijkheid voor zowel leerkracht als leerling.
In de theologisch-exegetische aantekeningen bij de lessen beperken we ons bewust tot een historisch-literair perspectief. Het is niet het doel van deze methode om een theologische visie uit te dragen. Het staat een school, leerkracht en leerling vrij om op geheel eigen wijze de Bijbel en de verhalen te interpreteren en betekenis te geven. In de theologisch-exegetische aantekeningen bij een les is als bron meerdere keren gebruikgemaakt van de serie boeken Het verhaal gaat ... van Nico ter Linden, zes delen ontstaan tussen 1998 en 2003 en uitgegeven door Uitgeverij Balans te Amsterdam
Literatuur
Borgman, E. (2005). Gods verbondenheid met het breekbare en gebroken leven. Het blijvende belang van christelijke verhalen en rituelen. In: P. Kevers en J. Maex (red.). Toekomst voor verhalen en rituelen? Op het snijpunt van bijbel en geloofscommunicatie. Leuven/Den Haag: Acco
Burggraeve, R. (2007). Alterity makes the difference. Ethical and Metaphysical Conditions for an Authentic Interreligious Dialogue and Learning. In: D. Pollefeyt (red.). Interreligious Learning. Leuven: University Press
Roebben, B. (2007). Godsdienstpedagogiek van de hoop. Grondlijnen voor religieuze vorming. Leuven/Den Haag: Acco
Roebben, B. (2011). Scholen voor het leven. Kleine didactiek van de hoop in 7 stappen. Leuven/Den Haag: Acco
